In de regeling voor asbestslachtoffers wordt er in ons land, in tegenstelling tot België en Duitsland, onderscheid gemaakt tussen asbestose (verbindweefseling van de luchtwegen) en pleurale plaques (verdikkingen van het borstvlies). Dit betekent dat deze laatste, relatief kleine groep niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming, wat volgens Asbestslachtoffers Vereniging Nederland niet is uit te leggen. Extra schrijnend is het dat diagnoses soms plotsklaps worden bijgesteld, zoals bij Jos Lamers en Jaap Lautenbach het geval was.

 

Door Sven Poels

 

Jos Lamers

 

Het aangrijpende vraaggesprek met Jos Lamers (89) en zijn vrouw Fientje Lamers-Verhaegen (85) uit het Limburgse Maasniel is al een tijdje op gang als het hen te veel wordt. Onbegrip, machteloosheid, boosheid, frustratie en intens verdriet lopen door elkaar heen. “We hebben hulp nodig”, vertelt mevrouw Lamers hevig geëmotioneerd. “Ons halve leven is verknoeid. We hebben samen nooit iets kunnen doen en nu is het te laat.” De ernstig zieke meneer Lamers is van de tafel terug in zijn stoel gaan zitten, het zuurstofslangetje zit weer in zijn neus. “Dit is toch geen leven meer”, zegt hij huilend. “Ik kan nergens naartoe, lig de halve dag op bed. Mijn vrouw neemt de hele zorg op zich, maar zij is ook niet de jongste meer.”

 

Meneer Lamers, enigszins warrig nadat hij van de zomer van zijn fiets is gevallen, heeft zijn verhaal dan al uit de doeken gedaan. Alwéér, misschien al voor de honderdste keer in zijn leven, legde hij uit dat hij ruim 25 jaar als storingsmonteur bij Maascentrale PLEM (Provinciale Limburgse Elektriciteit Maatschappij) in Buggenum werkte. Daar moest hij onder de machines kruipen die waren bekleed met blauwe asbestdekens. “Je had alleen een poetslap op de mond. Als je de rotzooi binnenkreeg nam je een slokje water en tufte je het uit. Ik dacht dat het stofdeeltjes waren, terwijl het zuivere asbest was. Nu is dat allemaal bekend, maar toen wist niemand het.” In 1986 belandde hij in de VUT, omdat hij altijd ‘verkouden’ was. “Als ik ziek was, zat ik drie tot vier weken thuis. We wisten niet wat het was, tot ze na mijn pensionering in het Laurentius Ziekenhuis te Roermond ontdekten dat ik asbestose (stoflong door asbest, red.) had.”

 

In 1988 klaagde de heer Lamers zijn oude werkgever aan. Hij verloor deze zaak echter en moesten duizenden guldens aan zijn advocaat betalen. “De mensen op het kantoor hebben wel een bedrag gekregen. Die liepen ook door de centrale en zijn zo schijnbaar ziek geworden.” Het sterkt hem in het onverteerbare gevoel dat hem onrecht is aangedaan. “Het gaat niet alleen om de centen, maar ook om hoe ze iemand behandelen. Ik heb al die jaren voor ze gewerkt, maar je ziet en hoort niemand meer. Ze hebben me laten stikken.”

 

Drie jaar geleden, in 2014, was er plotseling toch nog hoop. De Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers werd toen namelijk uitgebreid met asbestose, waardoor meneer Lamers in aanmerking meende te komen voor een financiële compensatie van de Sociale Verzekeringsbank. Na een blaastest via het Nederlands Asbestose Panel (NAP) bleek echter dat hij geen fibrose (verbindweefseling) in de longen had en daardoor toch geen asbestosepatiënt zou zijn. “Ik heb wel een asbestziekte (pleurale plaques, verdikkingen van het borstvlies, red.), maar krijg geen vergoeding voor de geleden schade.” Het is de zoveelste tegenslag voor de heer Lamers en zijn vrouw. “Dat maakt ons ontzettend verbitterd. Wat heeft het allemaal nog voor nut?”

 

Omdat er (huishoudelijke) hulp móét komen, is het echtpaar in gesprek met de gemeente Roermond. Mevrouw Lamers: “We hopen daarnaast op een kleine tegemoetkoming. De medicijnen, de prikken en het zuurstof; we moeten voor alles bijbetalen en zo breed hebben we het niet. Op dit moment moet ik alles zelf doen. We zijn ten einde raad.”

 

Jaap Lautenbach

 

Jaap Lautenbach (76) heeft een vergelijkbaar verhaal. Tussen 1957 en 1979 werkte hij bij RDM, de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. “Daar was ik scheepsbeschieter oftewel timmerman”, vertelt hij in zijn woning in het Noord-Brabantse Fijnaart. “Ik heb op de (nieuwbouw)schepen veel met asbestplaten gewerkt, niet wetende dat het zo gevaarlijk was. Ook de bazen wisten er niets van, dus hen valt niks te verwijten. Het omslagpunt was aan het begin van de jaren zeventig. Vanaf toen werden er voorzorgsmaatregelen genomen.”

 

Te laat voor Lautenbach en veel van zijn (inmiddels overleden) collega’s. “Al tijdens mijn werk was ik snel buiten adem; geleidelijk aan is het steeds erger geworden. Op dit moment heb ik een longcapaciteit van 57 procent. Ik kan maar op één zij slapen en ik kan niet meer in het water, want dan heb ik het gevoel dat ik stik.”

 

Zo’n dertig jaar geleden ging meneer Lautenbach voor het eerst naar een longarts. “Daarna volgden er meer. Tijdens de (half)jaarlijkse controles konden ze wel wat zien, maar niemand kon vertellen wat het was.” Eind jaren negentig viel in het Rotterdamse Sint Clara Ziekenhuis (het tegenwoordige Maasstad Ziekenhuis) voor het eerst de term ‘asbestose’. “In 2007 werd dat door een longspecialist in het Scheper Ziekenhuis in Emmen bevestigd en ook mijn huidige arts in het Bravis Ziekenhuis in Roosendaal is ervan overtuigd dat ik asbestose heb.”

 

Lautenbach en zijn vrouw waren dan ook vol ‘goede moed’ toen ze begin vorig jaar, op aanraden van de arts, een aanvraag indienden voor de sinds 2014 verruimde Asbestregeling. “Het Instituut Asbestslachtoffers (IAS, red.) gaf ons zo ontzettend veel hoop”, vertelt mevrouw Lautenbach-Smits (74), die ook bij het gesprek aanwezig is. “Achteraf gezien was het wat té positief.”

 

Het Nederlands Asbestose Panel van de NVALT (Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose) concludeerde namelijk tot driemaal toe dat een financiële tegemoetkoming niet mogelijk is. Lautenbach: “Ze zeggen nu ineens dat het geen asbestose is, maar pleurale plaques.” Na drie onderzoeken is het eindoordeel, te lezen op een brief van het NAP aan het IAS: ‘De heer Lautenbach heeft uitgebreide borstvliesverkalkingen (plaques), hoogstwaarschijnlijk gerelateerd aan zijn beroepsmatige asbestcontact en leidend tot longfunctieverlies. Deze asbestgerelateerde aandoening is echter geen asbestose (…); asbestose is een aandoening van de longen, niet van het longvlies.’

 

Meneer Lautenbach kan er met zijn hoofd niet bij. “Het maakt me boos dat ze er op deze manier onderuit willen komen. Er is nooit sprake geweest van plaques; bij de laatste afwijzing van juli plotseling wel. De artsen denken meer aan de verzekering dan aan mij.” Mevrouw Lautenbach-Smits vult aan: “Wat ik erg kwalijk vind, is dat ze zich heel ver boven de doktoren plaatsen. Ze nemen de longspecialisten gewoon niet serieus. Meestal dekken artsen elkaar, maar blijkbaar niet als er uitbetaald moet worden.” Een second opinion aanvragen is de laatste optie die nog wordt aangeboden. “Maar alleen bij artsen die door het NAP zijn aangewezen. Hoogst merkwaardig.”

 

Lautenbach hoopt via de vakbond of de politiek toch nog zijn recht te halen. “Het is een principekwestie geworden. Het gaat niet om het geld, want er zijn zoveel dingen die ik niet meer kan doen.” Ondanks alles blijft hij onverminderd positief. “Het is zo oneerlijk, maar wat moet je anders?”